submenu

Een leven vol daken en straten. Willy Vigouroux, dakwerker en ex-wielrenner - 20/02/2018

‘Trainen als een beest om er iets van te bakken’

Sommigen zullen zich Willy Vigouroux (61) nog herinneren als wielrenner, anderen als dakwerker. Ook zijn vader hield van het wielrennen én Willy volgde hem op in een rij van drie generaties dakwerkers.

Hij woont vandaag in Alsemberg, maar tijdens zijn actieve wielrennersloopbaan was Drogenbos zijn thuis, eerst in de Nieuwstraat, daarna in de Beersellaan.

Willy kreeg de wielermicrobe met de paplepel mee. ‘Wielrenner worden, dat lag voor de hand’, onthult hij. ‘Mijn vader was een talentvolle liefhebber en bleef een groot deel van zijn leven actief in het wielrennen, als commissaris voor de Wielerbond en als wielercoach voor Brabant.’

 

Gedubbeld

Op zijn vijftiende begint Willy met koersen bij de beginnelingen. ‘Tijdens mijn eerste koers in Linkebeek werd ik tweemaal gedubbeld. Maar het zou beteren.’ Als hij zeventien is, stapt hij over naar de junioren. Zijn vader geeft hem de kans om voltijds te trainen, hij  moet niet gaan werken. Tot zijn vader ondervindt dat zoonlief er met zijn klak naar gooit. Plots is hij onverbiddelijk: ’s morgens vroeg opstaan en mee de daken op, en pas na de middag trainen. Tot de resultaten weer voldoen. Twee jaar later – Willy is dan negentien – stapt hij over naar de liefhebbers en hij wint onder andere de trofee Het Volk en wordt Brabants kampioen. Zijn capaciteiten worden opgemerkt door ploegleiders en op zijn vierentwintigste krijgt hij een profcontract bij Safir, met ploegleider Florent Van Vaerenbergh. Hij fietst er aan de zijde van onder andere Herman Van Springel en Willy Teirlinck. Daarna stapt hij over naar de ploeg van Fred De Bruyne: DAF Trucks. Hij wordt er vooral geapprecieerd als helper van Roger De Vlaeminck, Hennie Kuyper en Adrie Van der Poel, de vader van Mathieu Van der Poel. ‘In het peloton zijn er kopmannen en helpers. Een goede helper is evenveel waard als een overwinnaar. Ook de ploegkapitein, die de renners in de koers aanstuurt, is voor een ploeg van goudwaarde. Hij kan de wedstrijden in een plooi leggen.’

 

Wereldkampioenen

In 1983 gaat Willy naar het Italiaanse Del Tongo, met als kopman de wereldkampioen Giuseppe Sarroni, en de toch wel bekende renners Didi Thurau, Guido Van Calster en Rudy Pevenage. Zijn laatste jaar als profrenner rijdt Willy voor Splendor, met opnieuw een wereldkampioen in de ploeg, Claude Criquielion, maar ook met Jean-Marie Wampers, Freddy Maertens en Dirk Demol. ‘Het leven van een wielrenner lijkt een eenvoudig bestaan. En misschien is het dat wel, maar het zijn enkel diegenen die elke dag in weer en wind trainen als beesten die er iets van bakken. Je kunt geen koers van 300 kilometer uitrijden – en soms ook winnen – als je niet elke dag op je fiets kruipt. Het is elke dag weer vechten tegen jezelf, zeker als het slecht weer is. Je mag geen dag op je lauweren rusten. Het zijn de sterke karakters die er komen. Mijn levensleuze is dan ook: ‘Morgen is het weer goed, ook al is het vandaag minder.’ En niet alleen op professioneel vlak, ook persoonlijk. Ik ben en blijf een vechter. Wij waren tenslotte beroepsrenners en moesten er onze boterham mee verdienen.’

 

Dopingplaag

Geen lachertje dus, beroepsrenner zijn. ‘Er heerste een dopingplaag in het wielrennen. De dopingjagers kwamen altijd te laat en veel producten die ingenomen werden, waren vaak pas jaren na gebruik op te sporen. Ik heb twee of drie keer iets genomen. ‘Negers’ werden de pillen in het jargon genoemd. Het waren zwarte capsules die maar liefst twintig milligram amfetamine bevatten. Onderweg moest ik van de ploegleider daarbij nog eens twee pillen Captagon (met 5 mg amfetamine) slikken. Het was zeer efficiënt: ik voelde mijn benen niet meer, ik zat voortdurend te hopen dat iemand er vandoor zou  gaan zodat ik mijn energie kwijt zou kunnen in de achtervolging. Ik reed als een dwaas. Denken was er niet meer bij.’ ‘Na zo’n koers ben ik naar huis gereden, ik kon het stuur van mijn wagen wel kapotslaan van de stress. Zo opgepept was ik. Als gevolg lag ik de hele nacht wakker. Toen ik de dag nadien mijn beklag deed bij de sportbestuurder zei  die dat ik beter had moeten weten. Ik had die avond een Temesta (een kalmerend medicijn) moeten nemen om het oppeppende effect teniet te doen. Toen dacht ik: dit nooit meer.’

 

Controles omzeilen

‘De controles waren dikwijls een lachertje. Soms wisten wij vooraf of er controle zou zijn of wie er naar de controle zou moeten. En was er toevallig toch een onvoorziene controle, dan waren er wel manieren om die te omzeilen. Zo werd bij een renner vastgesteld dat hij zwanger was (hij had de urine van zijn vrouw meegebracht). Een andere renner had in het toilet een urinestaal verstopt. Toen niet hij – maar zijn collega die op het toilet naast hem zat – moest plassen voor de controle gooide hij op vraag van de collega het potje over de muur. Maar hij gooide iets te hard en het potje kwam op de tafel van de wielerbondsafgevaardigden terecht. Zo ging het er toen soms aan toe, maar dit zal vandaag wel verleden tijd zijn zeker?!’

 

Vandaag ik en morgen jij

‘Er gebeurden veel rare dingen in de koers. De omerta was streng. Het was geven en nemen. Vandaag ik en morgen jij. Een nieuw contract bij een goede ploeg of een belofte, alles speelde mee. Het is een publiek geheim dat iedereen wist waaraan hij zich moest houden en dat het negeren van afspraken je je carrière kon kosten (denk maar aan Benoni Beheydt en Rik Van Looy). Maar het volk wil brood en spelen, en het krijgt wat het vraagt. ’In 1985 zet Willy een punt achter zijn carrière. Het werd hem te gevaarlijk en hij wilde nog een leven na de koers. Gelukkig kon hij terugvallen op zijn beroep als dakwerker. Toch bleef het nog twee jaar fel knagen telkens als hij zijn oude vrienden zag vertrekken naar een koers.

 

Jimmy

‘Afsluiten doe ik met een grappige anekdote. We waren op oefenkamp in La Colle-sur-Loup, een klein dorpje in Frankrijk. Ik mocht als liefhebber mee met de profs van de DAF Trucksploeg. Een van de beroepsrenners in die ploeg was Giovany Jimenez (zie kaaskrabber november 2013). We zaten samen aan tafel en aten hapjes. In de doos waarin die zaten, zaten ook stukjes piepschuim. Ik heb er twee overgoten met ketchup. Jimmy, zoals wij hem noemden, stak er onwetend eentje in zijn mond en bleef maar kauwen. We hebben er samen hartelijk om gelachen. Jimmy, herinner jij je dat nog?’

 

André Lerminiaux

Uit: Kaaskrabber februari 2018